Amsterdam

Ditmaal schrijden we dwars door de wereld. Elke stap is een terechte beslissing. De vonken spatten ervan af. De tred van de Verhevenen. Ze zouden een renaissance-schilder in de teletijdmachine van Professor Barabas moeten smijten om dit schouwspel hier met houtskool vast te leggen en dan terug moeten flitsen zodat hij het in zijn eigen tijd zou kunnen uitwerken in zijn atelier. Desnoods met hulp van een paar van zijn leerlingen, maar wel onvermeld. Dat werk zouden ze dan in het Rijks op mogen hangen. In de buurt van de Nachtwacht. Gewoon het zaaltje ernaast of iets. Zodat mensen met vermoeide benen even plaats zouden kunnen nemen en overdonderd kunnen raken door de schoonheid. (uit: Pepijn Lanen, Naamloos)

De jaarlijkse schoolreis van de vijfdes naar Amsterdam is altijd een beetje een afspraak met de geschiedenis, en met hun eigen vermoeide benen. Het programma zit alvast boordevol maar de rugzak moet nog gevuld: de leerlingen worden in Amsterdam slechts gedwongen om met een open blik te kijken en elke impuls die het stadsbeeld hen aanreikt, gretig (doch steeds op hun hoede) aan te nemen.

Op het Museumplein is Vincent van Gogh hun ervaren gids. Hij is de eeuwige overgangsfiguur tussen oud en nieuw, de grens waarop ook de stad zelf balanceert. Er valt nog steeds geen enkel grijs haartje in Van Goghs baard te ontwaren, en dat mag een wonder heten: over zijn leven weten we vrijwel alles en toch blijft hij fascineren, als een goed bewaard geheim.
Aan geheimen geen gebrek in Amsterdam: de stad is haar eigen mysterie, laat zich slechts trapsgewijs ontdekken. Maar in het schrijden zelf schuilt de schoonheid. We zouden een renaissanceschilder in de arm moeten nemen om dat hele idee vast te leggen. Of gewoon een leerling met een smartphone, en die vooral niet onvermeld laten.

Tekst: Daan Borloo / Foto: Djellëza Morina